Het orale microbioom en mondklachten: bacteriën bij cariës, slechte adem en tandvleesproblemen

Het orale microbioom en mondklachten: bacteriën bij cariës, slechte adem en tandvleesproblemen
Een gaatje, bloedend tandvlees en een slechte adem lijken op het eerste gezicht drie verschillende problemen. Toch beginnen ze vaak in dezelfde omgeving: de dunne, levende laag van micro-organismen op tanden, tong, tandvlees en slijmvliezen. Die gemeenschap noemen we het orale microbioom.
Dat microbioom is niet per definitie schadelijk. Integendeel: bacteriën en andere micro-organismen horen bij een gezonde mond. Klachten ontstaan meestal pas wanneer de omstandigheden langere tijd in een bepaalde richting verschuiven. Veel eetmomenten met fermenteerbare koolhydraten kunnen bijvoorbeeld zuurvormende bacteriën bevoordelen. Plaque langs de tandvleesrand kan een zuurstofarme, ontstekingsbevorderende omgeving creëren. Op de achterzijde van de tong kunnen bacteriën verbindingen produceren die onaangenaam ruiken.
De centrale vraag is daarom niet welke ene bacterie ‘de schuldige’ is. Belangrijker is hoe het hele ecosysteem functioneert, welke plaats in de mond wordt onderzocht en hoe een microbiële bevinding past bij klachten en klinische kenmerken. In dit artikel volgen we die lijn: van een gezonde biofilm naar cariës, tandvleesproblemen en halitose, en vervolgens naar de vraag wat een orale microbioomtest daar wel en niet aan kan toevoegen.
Een mond is geen lege ruimte, maar een verzameling leefgebieden
Het orale microbioom bestaat uit bacteriën, gisten en andere micro-organismen die samenleven met de mens. Ze bevinden zich niet willekeurig door de mond verspreid. Een tandoppervlak, de tongrug, de rand van het tandvlees, het wangslijmvlies en een diepe tandvleespocket vormen elk een eigen microbiële niche.
Vooral tanden zijn bijzonder, omdat hun oppervlak niet voortdurend wordt afgestoten. Bacteriën kunnen zich er langdurig hechten en een georganiseerde biofilm vormen: tandplak. Binnen zo'n biofilm wisselen soorten voedingsstoffen en stofwisselingsproducten uit. Dicht bij de buitenkant is meer zuurstof beschikbaar; dieper in de biofilm kunnen juist zuurstofarme omstandigheden ontstaan. Speeksel, zuurgraad, voeding, roken, medicatie, mondhygiëne en de lokale afweer bepalen vervolgens welke micro-organismen voordeel krijgen.
In een gezonde mond bestaat een dynamisch evenwicht tussen deze gemeenschap en de gastheer. Dat evenwicht is niet statisch en een gezonde mond hoeft dus ook niet iedere dag exact hetzelfde microbiële profiel te hebben. Wanneer de omgeving echter langdurig verandert, kan een gemeenschap ontstaan die zuurvorming, weefselschade of ontsteking bevordert. Zo'n ongunstige verschuiving wordt orale dysbiose genoemd. Cariës en parodontitis worden daarom steeds meer gezien als ecologische biofilmziekten en niet als eenvoudige infecties met één soort (Costalonga en Herzberg, 2014).
Wat vertelt een speekselmonster over die verschillende plekken?
Speeksel is geen vaste niche zoals een tandoppervlak of een parodontale pocket. Het bevat micro-organismen die van allerlei mondoppervlakken zijn losgekomen. Daardoor geeft speeksel een bruikbaar overzicht van de hele mond, maar het blijft een gemengd signaal. De speekselmicrobiota weerspiegelt gedeeltelijk wat er in plaque boven en onder de tandvleesrand gebeurt, zonder precies aan te wijzen waar een micro-organisme vandaan komt (Belstrøm, 2020).
Dat onderscheid is belangrijk. Eén actieve cariëslaesie, een geïnfecteerd wortelkanaal of een diepe pocket kan plaatselijk sterk afwijken, terwijl het totale speekselprofiel die afwijking slechts beperkt laat zien. Voor een heel lokale vraag blijven klinisch onderzoek, röntgendiagnostiek en zo nodig gerichte monsterafname daarom onmisbaar.
Wanneer het evenwicht kantelt, ontstaan verschillende soorten klachten
De omstandigheden bepalen welke kant de biofilm op beweegt. Een regelmatig lage pH selecteert andere bacteriën dan chronische ontsteking langs de tandvleesrand. Een dikke tongcoating biedt weer een ander milieu. Daardoor kunnen uit hetzelfde orale ecosysteem uiteenlopende klachten voortkomen. Cariës draait vooral om zuurproductie en mineraalverlies, gingivitis en parodontitis om biofilm en een ontregelde ontstekingsreactie, en halitose vaak om de afbraak van eiwitten tot vluchtige geurstoffen.
Cariës begint niet bij één bacterie, maar bij een zuur milieu
De bacterie die het vaakst met cariës wordt geassocieerd, is Streptococcus mutans. Deze soort kan gemakkelijk fermenteerbare koolhydraten omzetten in organische zuren, extracellulaire glucanen vormen en relatief goed overleven bij een lage pH. Wanneer de pH in tandplak vaak en langdurig daalt, verliest het glazuur mineralen. Wordt dat verlies niet voldoende gecompenseerd door remineralisatie, dan kan uiteindelijk een cariëslaesie ontstaan.
Hoe sterk is het bewijs voor S. mutans? Een systematische review en meta-analyse uit 2025 onderzocht negentien microbiomestudies met een aanvaardbaar risico op bias. In alle elf studies die relatieve hoeveelheden rapporteerden, kwam S. mutans gemiddeld meer voor bij deelnemers met cariës dan bij cariësvrije deelnemers. Tegelijk varieerde de relatieve hoeveelheid sterk en was de bacterie niet bij iedere persoon met cariës dominant (Mazurel et al., 2025). S. mutans is dus belangrijk, maar de aanwezigheid ervan is op zichzelf geen bewijs voor een gaatje.
Ook andere zuurvormende of zuurtolerante micro-organismen kunnen deel uitmaken van een cariësbevorderende gemeenschap. Afhankelijk van leeftijd, gebitselement, locatie en diepte van de laesie worden onder meer soorten uit Lactobacillus, Actinomyces, Bifidobacterium en Scardovia gevonden. Bovendien kan het microbiële patroon veranderen terwijl een laesie zich ontwikkelt (Spatafora et al., 2024). Op een blootliggend worteloppervlak gelden weer andere omstandigheden dan op intact glazuur. Actinomyces-soorten worden bijvoorbeeld geregeld bij wortelcariës aangetroffen, maar komen ook op gezonde worteloppervlakken voor.
Ook Veillonella laat zien waarom mondbacteriën niet eenvoudig in ‘goed’ en ‘slecht’ zijn te verdelen. Veillonella-soorten gebruiken lactaat dat door andere bacteriën wordt gemaakt. Daardoor beïnvloeden ze de lokale stofwisseling, maar hun rol kan per gemeenschap en omstandigheid verschillen. Een systematische review concludeerde dat de wisselwerking tussen S. mutans en Veillonella contextafhankelijk is. Veillonella kan dus niet zonder meer als oorzaak van cariës of juist als beschermende bacterie worden bestempeld (Hasan et al., 2024).
Waarom telt de frequentie van suikerinname dan zo zwaar? Iedere blootstelling aan gemakkelijk fermenteerbare koolhydraten kan een nieuwe zuurpiek in tandplak veroorzaken. Bij veel eet- en drinkmomenten krijgt speeksel minder tijd om de pH te bufferen en remineralisatie te ondersteunen. Er ontstaat dan een zichzelf versterkende beweging: frequente koolhydraten leiden tot meer zuurproductie, een langer lage pH en selectie van microbiota die juist onder zure omstandigheden goed gedijen.
Daarom bestaat goede cariëspreventie uit meer dan bacteriën bestrijden. Fluoride, effectieve biofilmcontrole, voldoende speeksel, beperking van het aantal suikermomenten, de anatomie van het gebit en persoonlijke vatbaarheid bepalen samen het risico.
Bloedend tandvlees: van een vroege waarschuwing naar parodontitis
Bloedend tandvlees is vaak een eerste zichtbaar teken dat de relatie tussen biofilm en afweer is verstoord. Bij plaque-geïnduceerde gingivitis rijpt de biofilm langs de tandvleesrand. Naarmate die laag dikker wordt, neemt plaatselijk de hoeveelheid zuurstof af en verandert het aanbod van voedingsstoffen uit speeksel en gingivale vloeistof. Het afweersysteem reageert daarop met een ontsteking: het tandvlees kan roder, gezwollen en bloedingsgevoelig worden.
In studies naar experimentele en natuurlijke gingivitis worden onder meer relatieve toenames van Prevotella, Fusobacterium, Veillonella, Campylobacter, Capnocytophaga, Porphyromonas en Tannerella beschreven. Tegelijk kunnen gezondheidsgeassocieerde groepen afnemen. Een review van veertien studies laat echter zien dat bevindingen ook afhangen van de plek van monsterafname, het onderzoeksmodel en de analysetechniek (Iniesta et al., 2024). Een verhoogde Prevotella of Veillonella bewijst dus geen gingivitis. De combinatie met plaque, roodheid, zwelling en bloeding geeft de bevinding betekenis.
Gingivitis is in beginsel omkeerbaar wanneer de biofilm effectief wordt beheerst. Parodontitis gaat een stap verder: daarbij gaat aanhechting en kaakbot rond de tanden verloren. Niet iedereen met gingivitis ontwikkelt parodontitis. Roken, diabetes, leeftijd, erfelijke vatbaarheid, mondverzorging en andere factoren beïnvloeden wie kwetsbaar is en hoe snel het proces verloopt.
Ook parodontitis wordt niet door één afzonderlijke bacterie veroorzaakt. Een dysbiotische biofilm en een ontregelde afweerreactie kunnen elkaar in stand houden. Metagenomisch onderzoek vindt herkenbare microbiële patronen bij parodontitis, maar verschillen in populatie, afnamemethode en analysetechniek maken zo'n patroon nog niet geschikt als zelfstandige diagnose (Soueidan et al., 2024; Bostanci et al., 2025).
Welke bacteriën worden vooral met parodontitis verbonden?
Drie soorten staan in het klassieke parodontitisonderzoek bekend als het red complex: Porphyromonas gingivalis, Tannerella forsythia en Treponema denticola. Vooral P. gingivalis is uitgebreid onderzocht. De bacterie beschikt over virulentiefactoren waarmee zij weefsel, andere biofilmleden en de afweerreactie kan beïnvloeden. Toch kan zij in lage hoeveelheden aanwezig zijn zonder dat klinische parodontitis is aangetoond. P. gingivalis is daarom beter te begrijpen als een pathobiont binnen een gemeenschap dan als een op zichzelf staande diagnose (Mysak et al., 2014).
Fusobacterium nucleatum vervult een andere rol. De soort kan zich hechten aan uiteenlopende vroege en late koloniseerders en zo als microbiële ‘brug’ bijdragen aan de opbouw van een volwassen biofilm. Zij wordt vaak gevonden bij gingivitis en parodontitis, maar ook bij mensen zonder parodontitis. Opnieuw zijn hoeveelheid, niche en de overige gemeenschap bepalend.
De Orale Microbioom Zelftest rapporteert twaalf specifieke bacteriën. Onderstaande tabel plaatst ze in hun onderzoekscontext. De tabel laat dus zien waarbij soorten worden bestudeerd, niet wat één individuele uitslag bewijst.
|
Bacterie |
Vooral onderzocht in relatie tot |
Belangrijke nuance |
|
Streptococcus mutans |
Cariës en zuurvorming |
Sterke associatie, maar aanwezigheid alleen voorspelt geen gaatje. |
|
Porphyromonas gingivalis |
Parodontitis; red complex |
Pathobiont; klinische pocket- en botmetingen blijven nodig. |
|
Treponema denticola |
Parodontitis; red complex |
Betekenis hangt af van hoeveelheid, niche en andere bacteriën. |
|
Aggregatibacter actinomycetemcomitans |
Vooral snel progressieve vormen bij vatbare groepen |
Niet iedere stam is even virulent; de JP2-kloon is een specifiek voorbeeld. |
|
Fusobacterium nucleatum |
Biofilmrijping, gingivitis, parodontitis en halitose |
Komt ook in een gezonde mond voor. |
|
Prevotella intermedia |
Gingivale en parodontale ontsteking; VSC-productie |
Geen zelfstandige marker voor ziekte. |
|
Prevotella nigrescens |
Parodontale en endodontische microbiële gemeenschappen |
Kan ook zonder lokale ziekte worden aangetroffen. |
|
Porphyromonas endodontalis |
Endodontische infecties en orale geurvorming |
Speeksel lokaliseert geen wortelkanaalinfectie. |
|
Tannerella forsythia |
Parodontitis; red complex |
Een microbiële meting vervangt geen klinische diagnose. |
|
Eikenella corrodens |
Parodontale polymicrobiële gemeenschappen |
De betekenis is context- en plaatsafhankelijk. |
|
Parvimonas micra |
Parodontale en endodontische infecties |
Aanwezigheid in speeksel bewijst geen actieve infectie. |
|
Campylobacter rectus |
Gingivitis en parodontitis |
Wordt als onderdeel van een breder dysbiosepatroon beoordeeld. |
Deze soorten komen dus niet los van elkaar tot betekenis. Reviews over klassieke en minder bekende parodontitisgeassocieerde bacteriën benadrukken juist het polymicrobiële karakter van de ziekte (Arora et al., 2014).
Waarom een slechte adem meestal in de mond ontstaat
Wie langdurig last heeft van een slechte adem, denkt vaak eerst aan de maag. Het merendeel van de gevallen van echte halitose heeft echter een oorsprong in de mond. Vooral de achterzijde van de tong en diepe parodontale pockets zijn belangrijke plaatsen.
Daar breken bacteriën eiwitten, afgestorven cellen, speekseleiwitten en bloedbestanddelen af. Bij dat proces kunnen vluchtige zwavelverbindingen ontstaan, waaronder waterstofsulfide en methylmercaptaan. De hoeveelheid en verhouding van die stoffen beïnvloeden hoe de adem ruikt.
VSC-productie is onder meer beschreven voor Fusobacterium nucleatum, Porphyromonas gingivalis, Treponema denticola, Prevotella intermedia en Porphyromonas endodontalis. Op genusniveau worden ook Prevotella, Veillonella, Actinomyces, Fusobacterium, Porphyromonas en Tannerella geregeld in halitoseonderzoek aangetroffen. Toch bestaat er geen unieke ‘slechte-adembacterie’. De geur ontstaat uit de gezamenlijke activiteit van een microbiële gemeenschap en uit het beschikbare materiaal dat zij kan afbreken (Lee en Hong, 2023; Porter en Scully, 2006).
De tong speelt daarbij een grote rol. Haar achterzijde heeft veel groeven en papillen, waardoor kleine zuurstofarme omgevingen ontstaan. Tongbeslag bevat bovendien cellen en eiwitten die als voedingsbron dienen. Parodontitis kan de geurbelasting verder vergroten, omdat diepe pockets zowel anaerobe bacteriën als ontstekingsmateriaal bevatten.
Een speekselprofiel kan laten zien dat VSC-geassocieerde groepen aanwezig zijn, maar bewijst niet dat zij bij één persoon de oorzaak van de geur zijn. Een droge mond, roken, voeding, bepaalde medicijnen, neus- of keelproblemen en zeldzamer een systemische aandoening kunnen eveneens bijdragen. Bij aanhoudende klachten geven objectieve geurbeoordeling en mondonderzoek vaak meer richting.
Lokale infecties en gisten vragen weer om een andere blik
Niet iedere microbiële bevinding past netjes binnen cariës, tandvleesproblemen of halitose. Porphyromonas endodontalis wordt bijvoorbeeld geregeld gevonden bij endodontische infecties. Ook Prevotella intermedia, Prevotella nigrescens, Fusobacterium nucleatum, Parvimonas micra en andere anaeroben kunnen deel uitmaken van zo'n gemeenschap. Acute apicale abcessen zijn doorgaans multispeciesinfecties waarin anaerobe bacteriën domineren (Siqueira en Rôças, 2013).
Toch kan een speekselmonster niet aanwijzen uit welke kies een bacterie afkomstig is of een wortelpuntontsteking vaststellen. Bij kiespijn, drukpijn, zwelling of koorts zijn tandheelkundig onderzoek en vaak beeldvorming nodig.
Ook Candida albicans en andere Candida-soorten vragen nuance. Het zijn gisten, geen bacteriën, en zij kunnen de mond van gezonde mensen koloniseren zonder klachten te veroorzaken. Een moleculaire detectie betekent dus niet automatisch dat iemand spruw of een andere vorm van orale candidiasis heeft. Die diagnose wordt primair gebaseerd op klachten, zichtbare afwijkingen en risicofactoren; microbiologisch onderzoek kan in geselecteerde situaties ondersteunen (Coronado-Castellote en Jiménez-Soriano, 2013).
Wat voegt een orale microbioomtest aan dit verhaal toe?
Een orale microbioomtest beschrijft de relatieve samenstelling van het gemeten panel in een speekselmonster. Daarmee kan de test zichtbaar maken of bepaalde zuurvormende of zuurtolerante taxa relatief sterk vertegenwoordigd zijn, of meerdere parodontitisgeassocieerde bacteriën samen voorkomen en hoe fysiologische en dysbiosegeassocieerde groepen zich binnen het monster tot elkaar verhouden.
Dat is waardevolle context, maar het is geen foto van iedere afzonderlijke plek in de mond. De test meet geen gaatje, pocketdiepte, bloedingsscore, aanhechtingsverlies, botverlies, speeksel-pH, actuele zuurproductie of concentratie van geurstoffen. Een DNA-meting laat bovendien niet automatisch zien of een gevonden micro-organisme op dat moment levend en metabool actief is. Een relatieve hoeveelheid is ook geen absoluut kiemgetal: wanneer het aandeel van één groep stijgt, kan het relatieve aandeel van andere groepen dalen zonder dat hun absolute hoeveelheid werkelijk is veranderd.
Zelfs voor parodontale ziekte, waar relatief veel microbiologisch onderzoek beschikbaar is, is standaardisatie nog nodig. Een systematische literatuurzoekactie uit 2025 vond diagnostisch potentieel voor samengestelde microbiële maten, maar de 31 geïncludeerde studies verschilden sterk in monsterlocatie, analysetechniek en ziektecriteria (Bostanci et al., 2025).
Wie wil weten welke parameters worden gerapporteerd en hoe de monsterafname werkt, kan de Orale Microbioom Zelftest van Medivere bekijken. De uitslag is bedoeld als aanvullende informatie en vervangt geen onderzoek door een tandarts, mondhygiënist of arts.
Is een hogere microbiële diversiteit altijd beter?
Ook de Shannon-diversiteitsindex moet binnen de mondcontext worden gelezen. In sommige ecosystemen geldt een hogere diversiteit als gunstig, maar in de mond is dat geen universele regel. Een diepe parodontale pocket kan juist een soortenrijke én ziektegeassocieerde gemeenschap bevatten. Diversiteit krijgt pas betekenis naast de aangetroffen taxa, hun onderlinge verhoudingen, de monsterlocatie en de klinische situatie.
Van uitslag naar een zinvolle vervolgstap
Een uitslag wordt bruikbaar wanneer zij in een groter verhaal wordt geplaatst. Vier vragen helpen daarbij:
1. Welke klachten en voorgeschiedenis zijn er? Denk aan terugkerende cariës, bloedend tandvlees, een droge mond, smaakverandering of halitose.
2. Wat is klinisch in de mond te zien en te meten? Plaque, tandsteen, pockets, bloeding, aanhechting, bestaande restauraties en slijmvliesafwijkingen geven plaatselijke informatie die speeksel niet kan leveren.
3. Welke omstandigheden sturen het ecosysteem? Suikerfrequentie, roken, alcohol, speekselproductie, mondademhaling en mondverzorging kunnen het patroon beïnvloeden.
4. Onder welke omstandigheden is het monster afgenomen? Recent eten, poetsen, mondwater, antibiotica, antischimmelmiddelen of een tandheelkundige behandeling kunnen de meting kleuren.
Zo ontstaat een logische volgorde: eerst het microbiële patroon begrijpen, daarna nagaan of het past bij klachten en mondstatus, en vervolgens bepalen of klinische diagnostiek of behandeling nodig is. Een uitslag op zichzelf is geen reden om antibiotica, antischimmelmiddelen of een intensief behandelprotocol te starten.
Bij terugkerende cariës, aanhoudend bloedend of terugtrekkend tandvlees, een slechte adem die niet verbetert of tanden die losser lijken te staan, is beoordeling door een tandarts of mondhygiënist belangrijk. Zoek sneller hulp bij hevige pijn, zwelling, pus, koorts en slik- of ademhalingsproblemen. Laat ook een wond, zweer of rode of witte plek die niet binnen ongeveer twee weken geneest beoordelen.
Veelgestelde vragen over het orale microbioom en mondklachten
Welke bacterie veroorzaakt cariës?
Streptococcus mutans is sterk met cariës geassocieerd, maar cariës heeft geen enkelvoudige bacteriële oorzaak. Een cariësbevorderende biofilm, frequente fermenteerbare koolhydraten, zuurdaling, speeksel, fluoride en persoonlijke vatbaarheid werken samen.
Kan een orale microbioomtest aantonen waarom ik steeds gaatjes krijg?
De test kan relevante microbiële patronen laten zien, maar stelt de oorzaak niet zelfstandig vast. Suikerfrequentie, fluoride, speekselproductie, tandanatomie en mondverzorging moeten eveneens worden beoordeeld.
Welke bacteriën worden met slechte adem geassocieerd?
Onder meer Fusobacterium, Prevotella, Porphyromonas, Treponema en sommige Veillonella-soorten worden in halitoseonderzoek gevonden. De geur ontstaat meestal uit de gezamenlijke stofwisseling van meerdere soorten, vooral op de tong en in parodontale pockets.
Welke bacteriën horen bij parodontitis?
Klassiek worden Porphyromonas gingivalis, Tannerella forsythia en Treponema denticola genoemd. Daarnaast kunnen onder meer Fusobacterium nucleatum, Prevotella intermedia, Campylobacter rectus en Parvimonas micra deel uitmaken van een dysbiotische biofilm.
Betekent Porphyromonas gingivalis in speeksel dat ik parodontitis heb?
Nee. Parodontitis wordt vastgesteld met klinische informatie, waaronder pocketdiepte, bloeding, aanhechtingsverlies en botverlies. Een speekselbevinding kan aanvullende context geven, maar is geen diagnose.
Is een speekseltest hetzelfde als onderzoek van tandplak?
Nee. Speeksel geeft een gemengd beeld van meerdere mondniches. Plaque uit een specifieke pocket of laesie geeft plaatselijker informatie.
Betekent Candida in de uitslag dat ik spruw heb?
Nee. Candida kan zonder klachten in de mond voorkomen. Voor orale candidiasis zijn klachten, zichtbare afwijkingen en soms bevestigend onderzoek relevant.
Wat is orale dysbiose?
Orale dysbiose is een verschuiving in de samenstelling en functie van een microbiële gemeenschap waardoor een milieu ontstaat dat bijvoorbeeld zuurvorming of ontsteking bevordert. Het is geen losse diagnose en kan niet uit één bacterie worden afgeleid.
Conclusie: het patroon vertelt meer dan één gevonden bacterie
Een gaatje, bloedend tandvlees en een slechte adem keren aan het einde van dit verhaal terug als verschillende uitkomsten van hetzelfde dynamische ecosysteem. Bij cariës verschuift de biofilm richting herhaalde zuurvorming. Bij gingivitis en parodontitis raken biofilm en afweerreactie in een zichzelf versterkend ontstekingsproces. Bij halitose produceren microbiële gemeenschappen geurstoffen op plaatsen zoals de tongrug en parodontale pockets.
Binnen die processen blijven specifieke bacteriën relevant. Streptococcus mutans heeft een sterke relatie met cariës, het red complex en andere anaerobe soorten zijn belangrijk in parodontaal onderzoek en VSC-producerende gemeenschappen spelen een rol bij slechte adem. Geen van die bevindingen krijgt echter betekenis zonder de omgeving waarin zij wordt gevonden.
Een orale microbioomtest kan dat grotere patroon zichtbaar maken en gerichtere vragen oproepen. De meest bruikbare vraag is daarom niet alleen: ‘Welke bacteriën zijn aanwezig?’ De vraag die het verhaal compleet maakt, luidt: ‘Hoe past dit microbiële patroon bij mijn klachten, mondstatus en beïnvloedbare risicofactoren?’
Lees voor de wetenschappelijke verbanden buiten de mond ook: Het orale microbioom en systemische gezondheid.
Wetenschappelijke bronnen:
Mazurel D, et al. (2025). Streptococcus mutans and Caries: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Dental Research. DOI: 10.1177/00220345241303880. PDF.
Spatafora G, et al. (2024). The Evolving Microbiome of Dental Caries. Microorganisms. DOI: 10.3390/microorganisms12010121. PDF.
Hasan F, et al. (2024). A systematic review of Streptococcus mutans and Veillonella species interactions in dental caries progression: positive or negative impact?. F1000Research. DOI: 10.12688/f1000research.155987.2. PDF.
Costalonga M, Herzberg MC. (2014). The oral microbiome and the immunobiology of periodontal disease and caries. Immunology Letters. DOI: 10.1016/j.imlet.2014.08.017. PDF.
Iniesta M, et al. (2024). Supra- and Subgingival Microbiome in Gingivitis and Impact of Biofilm Control: A Comprehensive Review. Antibiotics. DOI: 10.3390/antibiotics13060571. PDF.
Soueidan A, et al. (2024). Pooled analysis of oral microbiome profiles defines robust signatures associated with periodontitis. mSystems. DOI: 10.1128/msystems.00930-24. PDF.
Bostanci N, et al. (2025). Microbial Markers for Diagnosis and Risk Assessment for Periodontal Diseases: A Systematic Literature Search and Narrative Synthesis. Journal of Clinical Periodontology. DOI: 10.1111/jcpe.14183. PDF.
Mysak J, et al. (2014). Porphyromonas gingivalis: major periodontopathic pathogen overview. Journal of Immunology Research. DOI: 10.1155/2014/476068. PDF.
Arora N, et al. (2014). Microbial role in periodontitis: Have we reached the top? Some unsung bacteria other than red complex. Journal of Indian Society of Periodontology. DOI: 10.4103/0972-124X.128192. PDF.
Lee YH, Hong JY. (2023). Oral microbiome as a co-mediator of halitosis and periodontitis: a narrative review. Frontiers in Oral Health. DOI: 10.3389/froh.2023.1229145. PDF.
Porter SR, Scully C. (2006). Oral malodour (halitosis). BMJ. DOI: 10.1136/bmj.38954.631968.AE. PDF.
Siqueira JF Jr, Rôças IN. (2013). Microbiology and treatment of acute apical abscesses. Clinical Microbiology Reviews. DOI: 10.1128/CMR.00082-12. PDF.
Belstrøm D. (2020). The salivary microbiota in health and disease. Journal of Oral Microbiology. DOI: 10.1080/20002297.2020.1723975. PDF.
Coronado-Castellote L, Jiménez-Soriano Y. (2013). Clinical and microbiological diagnosis of oral candidiasis. Journal of Clinical and Experimental Dentistry. DOI: 10.4317/jced.51242. PDF.
Auteur: Danial Chamanmah
Belangrijke disclaimer: Dit artikel is alleen bedoeld ter informatie en vervangt niet het advies van een medische professional. Raadpleeg altijd een gekwalificeerde zorgverlener voor persoonlijk advies en behandeling met betrekking tot je gezondheid.
Medivere biedt testen aan die kunnen helpen bij het vaststellen van bepaalde gezondheidsproblemen. Het is echter belangrijk om te benadrukken dat deze testen alleen dienen ter ondersteuning van een diagnose en behandeling, en niet als vervanging daarvan. De testen zijn niet bedoeld voor zelfdiagnose en zelfbehandeling, en mogen niet worden gebruikt als basis voor het nemen van medische beslissingen zonder overleg met een arts of gekwalificeerde zorgverlener. Het is belangrijk om te onthouden dat de resultaten van de testen alleen een indicatie geven van mogelijke gezondheidsproblemen en dat verdere medische evaluatie en behandeling nodig kunnen zijn. Medivere is niet verantwoordelijk voor het nemen van medische beslissingen op basis van de testresultaten.




